ZOMER IN ZEELAND II

Het is onze laatste dag in Zeeland, morgenvroeg verlaten we dit strand, dat er nu weids en uitgestrekt bij ligt. Nog wel, want het zal niet lang meer duren voordat het tij keert.
Het heeft een uurtje gedonderd en geregend. Toen ik het ontbijt naar de veranda wilde brengen, vielen de eerste dikke druppels. Het werd zo donker dat we binnen met het licht aan zaten. Eigenlijk best gezellig.

Toen de regen ophield kwam de zon door en kreeg ik zin om te zwemmen. Ik sleepte een strandstoel over het metersbrede strand naar de waterkant waar ik na het zwemmen in kon gaan zitten om me te drogen aan de zon. Bij het water aangekomen zag ik kleine paarse en gele kwallen drijven. Dan maar niet zwemmen, dacht ik en ik liep terug naar het huisje om een boek, mijn zonnebril en een flesje water te halen. Daarmee zou ik de komende uurtjes wel doorkomen, en kauwend op een stukje stokbrood liep ik in mijn eigen voetstappen terug naar de strandstoel aan de waterkant.

Ik genoot. De zon op mijn huid en mijn voeten in het koele, kabbelende zeewater.
Zeilbootjes die in de haven het onweer hadden afgewacht, kozen het ruime sop. Het werd vloed en elk kwartier zette ik de stoel wat verder terug het strand op. Plotseling stond manlief naast me. Hij had drie witte schelpen in zijn hand. Deze deze week had ik er al heel wat verzameld: zaagjes op dit strand lijken een stuk groter dan die ik al heb, en lichtblauwe nonnetjes kon ik onmogelijk laten liggen. Manlief was heel lang bezig geweest met het verzamelen van witte zeeboontjes. Puur monnikenwerk en bijna therapeutisch. Het vergt fijne motoriek om die op te pakken, zo klein zijn de skeletjes van de kleinste zeester. Al onze vondsten lagen al uitgestald op de verandatafel, klaar om mee naar huis te nemen.

Ik dacht aan de vorige nacht. Het zal een uurtje of elf in de avond geweest zijn, toen ik op mijn been wakker getikt werd en op de zee gewezen werd. De kopjes van de branding lichtten blauw op. Het blauw als die van een brandende vlam op het fornuis.
Waar ik stiekem op had gehoopt was gebeurd: zeevonk!
Ik zag drie figuren in het donker naar het water lopen en besloot om naar buiten te gaan en het lichtspel, dat wordt veroorzaakt door alg, van dichterbij te bekijken.
Deze eencellige, niet groter dan een halve tot een hele millimeter groot, is een ballonnetje met een staartje dat oplicht als het met zuurstof in contact komt.
Als je met je voeten in laag water staat en je beweegt, dan lichten de opspringende algen op. Het is alsof je op sterrenstof staat!
Ik trappelde met mijn voeten heen en weer in het water waardoor er een paar kleine dansende lichtvonkjes verschenen aan het wateroppervlakte: strandsterren, sprookjesachtig en magisch!

Vorig jaar maakte ik voor het eerst kennis met dit natuurspel; een betoverende ervaring.
Mijn schoonzus die aan zee is opgegroeid, vertelde me al eens over dit schouwspel, maar nu ik het met eigen ogen waarnam, begreep ik haar zoeken naar woorden om verwondering over te brengen. Die zomer gingen mijn zusje en ik twee nachten achter elkaar met de kinderen naar zee om te zwemmen in die zee van sterren.
Mijn handen die door het water gingen, lichtten bij elke beweging op en als ik opstond uit het water had de zee me gekleed in een galajurk bezaaid met schitterende steentjes.

Laughter in a summer’s night, het kinderlijke plezier die we met elkaar en om elkaar beleefden is onvergetelijk.
Zwemmen in sterrenstof onder een heldere sterrenhemel, en of het die nacht niet genoeg was, zag ik een rode halve maan in zee verdwijnen en een vallende ster aan de horizon, om een wens te doen. Ik wenste dat ik het moment nooit zou vergeten.

Zeevonk, vannacht was het er weer, en eenmaal terug in het huisje bleef ik er vanuit mijn bed naar kijken totdat mijn ogen zwaar werden en ik in slaap viel.

Ik hoor het krassen van potlood op papier; manlief (met een Japanse puzzel als altijd) heeft er ook een stoel bij gepakt en is naast me komen zitten.
De vloed duwt zeewier en meeuwenveren langs onze voeten steeds verder het strand op. We genieten van het rustige kabbelende water om ons heen en het vertrouwde geluid van de zee.
‘Kijk ons nou, het strand is van ons!’ zeggen we grinnikend kijken we elkaar aan met een blik van verstandhouding.