
ZOMER IN ZEELAND III
Er is vanmorgen een zeehond op het strand aangespoeld.
Toen ik het gordijn wegschoof om de dag te begroeten en een eerste blik op de zee te werpen, zag ik een paar mensen vanaf gepaste afstand kijken naar iets dat op het strand lag. Ze liepen eromheen en stonden dan weer stil.
Het intrigeerde me en ik wilde er het mijne van weten. Ik trok iets aan, ging naar buiten en liep er op af.
Toen ik dichterbij kwam zag ik waar het om ging: een zeehond!
Goh, ja, het had vannacht inderdaad hard gewaaid. We sliepen nota bene met de deur open en ik was wakker geworden van het geluid van de wind die het strand op raasde.
Het was waarschijnlijk best hoog water geweest, en ik stelde me voor hoe de golven van het hoge tij het weerloze lijf van de zeehond, gewichtsloos rollend in het water, eerst het strand op hadden geduwd om, zodra het tij zich keerde, het dode beest op het strand achter te laten.
De zeehond lag er op zijn rug ‘rustig bij’, de bek een beetje open waardoor de scherpe hoektanden zichtbaar waren, de vinnen netjes opgevouwen op de buik, alsof het lag opgebaard. Het had twee grote bloeduitstortingen, een op de kop en een bij de hals.
Jemig, dacht ik, zielug zeg, misschien tegen een boot opgeknald? Met één klap dood, of uitgeput en moegestreden? Ik hoopte het eerste.
Strandgangers kwamen erop af.
Honden lieten het dode beest links liggen.
‘Wat niet beweegt is niet interessant’ legde een baasje uit.
Er ontstond een toeloop van mensen die eerst vanaf de veranda’s van de strandhuisjes hadden toegekeken.
Kinderen keken in eerste instantie behoedzaam en op een afstand toe, terwijl ouders met mobieltjes in de aanslag de nodige plaatjes vastlegden.
Hoe langer ik er getuige van was, hoe meer ik associaties kreeg met een condoleance. Ook al stond er dan geen rij met nabestaanden om je medeleven aan te betuigen, en was er niemand die, in het zwart gekleed, met koffie en cake rondging.
Een meisje vroeg aan haar ouders of het dier misschien door een auto was aangereden. ‘Nee’ wist haar moeder uit te leggen, er zijn geen auto’s in de zee, misschien dat het een botsing met een boot heeft gehad.’
Terwijl het kind voor zich uit bleef staren, hoorde ik haar hersentjes kraken. Het kinderbrein was hard bezig om die mogelijke botsing in zee te visualiseren.
Je vraagt je toch al af of zoiets als de dood wel landt bij het kleine grut dat nog maar net aan het begin staat van alles wat het leven zo met zich mee brengt.
‘Hij doet het niet meer’, zei een vader die er met zijn zoontje bij stond.
Dat is nog eens praten op ooghoogte, dacht ik.
’Goh, is het water zo ver gekomen vannacht?’ was hubby’s eerste reactie die ook op de toeloop was afgekomen. Omdat de strandwacht inmiddels op de hoogte was gebracht en en wij straks alleen maar in de weg zouden staan, liepen we terug naar ons huisje waar ik het tafereel vanuit bed observeerde.
Er vallen dan dingen op: kinderen blijven eerst op afstand en gaan dan dicht bij de ouders staan. Mannen staan er even met de handen in de zij naar te kijken om er vervolgens, al onderzoekend een rondje omheen te lopen. Vrouwen lopen er direct op af, staan dan stil om de kop te bekijken. Maar er is niet een persoon die door de knieën gaat om het dier van dichterbij te zien en er is niemand die het dier aanraakt.
Er kwam een wandelaar aan gelopen, een man van ergens in de zeventig, hooguit begin tachtig. Het was een schatting gebaseerd op de manier van lopen, postuur en kleding. Ik kan er zomaar helemaal naast zitten. De ferme stap waarmee de man de waterlijn volgde, deed me vermoeden dat hij niet óp of om zou kijken. Deze wandelaar had focus. Dat bleek; in het voorbij lopen gunde de man de dode zeehond niet meer dan een korte hoofdbeweging naar links. Zonder pasvermindering liep hij door, hij had wel meer gezien in zijn leven.
Het duurde best wel even voordat de strandwacht arriveerde. Mannen en vrouwen in rode korte broeken en gele shirts, sommigen hadden grote handschoenen aan. Een groengele tractor met grijper haalde hen in. Even leek het alsof een emmer lego was omgekiept in het zand. En terwijl de tune van Bob de Bouwer door mijn hoofd klonk, kwamen steeds meer mensen op afgelopen, alsof iedereen aanvoelde dat het moment suprême naderde. ‘Nu de muziek nog’, zei ik. Het was als grap bedoeld, maar toch vond ik het een moment voor gepaste muziek.
Met een enkele lift werd het kadaver opgepakt door de zandgraver. Dat woord paste wel bij het gebeuren. Een begrafenis, maar dan andersom. De zeehond, nu in de grijper maar nog altijd op het (meegegrepen) zand, hing tussen hemel en aarde.
Het lag er roerloos en in dezelfde houding bij, het had iets sereens…
Daar lag het dan, het beest, dat eens met het logge lijf de meest sierlijke bewegingen en wentelingen in het water wist te maken, snel en speels.
De grijper bleef even op de zelfde hoogte hangen en begon toen te schudden. Met een blik in de cabine, zag ik de hand van de bestuurder heen en weer op de handel bewegen. Zand dat geloosd moet worden viel tussen de stalen tanden van de grijper door terug op het strand.
De zeehond lag erbij zoals het opgepakt was, de vinnen nog op de buik.
Bob de Bouwer keerde de tractor om en verliet het strand, de zeehond voor zich uitdragend, als in een denkbeeldige kist bijgezet.
Op de achtergrond was het onophoudelijke geruis van de golven te horen.
Een laatste groet van de zee, habitat van dit prachtige beest…