Ik stond op uit de tuinstoel en liep een beetje rond door t huis, at vervolgens een perenijsje en had opeens zin om even naar t strand te gaan. De strandtas staat, zoals een vluchttas, altijd klaar.
Een badpak aandoen en een handdoek pakken was het enige wat me nog te doen stond.
Dat was met de kinderen wel anders; even snel inpakken om naar het strand te gaan bestond niet. Het leek meer op een complete volksverhuizing, catering incluis.
Maar genieten deed ik er niet minder om.
Hubby die nog een beetje slaapdronken was mummelde dat hij ook mee wilde en binnen tien minuten reden we de straat uit. Even naar zee op die luie zondagmiddag.

Daar lag ik weer op mijn diepblauw geblokt Masai-kleed. Een kleed dat overal mee naar toe gaat, want behaaglijk in alle jaargetijden: het is koel in de zomer, en het biedt warmte op een koude dag. Ik nam een duik in het water dat weer iets leek te zijn opgewarmd, maar nog altijd verfrissend genoeg was om af te koelen.
De oostenwind temt de golven al een aantal weken; de zee gedraagt zich als een meer maar onderwerpt zich nog altijd aan de wisseling van het getij.
Het was eb en voor me lag een ommuurde zandkasteel met een enkele toren dat fier uitkeek op de zee die voorlopig op veilige afstand bleef.

Hubby kreeg t koud. ‘Ah joh, ga jij maar vast naar boven een koffie halen’, zei ik.
Het restaurant waar onze dochter werkt ligt verderop in een duinpan. Ik bleef nog even op het strand om me te drogen aan de zon die zich iets te vaak achter de wolk schuil hield. Ik liet mijn oog vallen op wat schelpjes in de kleuren van het strand : zandwit, grijsblauw en beige, pakte ze op en deed ze in mijn tas. Omdat het er niet op leek dat ik me aan de zon kon drogen, kleedde ik me maar weer aan. Ik rolde en vouwde al mijn doeken op en liep naar het terras waar Hubby achter een krantje zat. Toen hij me vroeg of ik iets wilde bestellen zei ik dat ik niets hoefde, maar gewoon lekker naar huis wilde om iets droogs aan te trekken. Onze dochter die aan het werk was, had het er maar druk mee, maar gaf me nog kus op de wang.

Weer thuis keek ik ‘s avonds naar het televisieprogramma Zomergasten waarin een jonge filmmaker zijn favoriete filmscènes en documentaires met de kijker deelde. De man is van Molukse afkomst en hij heeft een interessant verhaal. De blik in zijn ogen en de toon van zijn stem zijn herkenbaar. Kenmerken die bij de interviewer opvallen en de jonge cineast verwijst naar de strijdbaarheid van gedrilde KNIL militairen die in zijn bloedlijn zit. Verder in het gesprek zie ik iets kwetsbaars in deze succesvolle en gewaardeerde man. Hij is naar Indonesië geweest, maar nog niet naar het dorp waar zijn opa geboren is, Hulaleuw. Op de vraag waarom niet, hoor ik in het antwoord vertwijfeling, vragen en machteloosheid tegelijk, en zie ik in de ogen van de cineast een bak aan emotie.
‘Schaamte omdat ik de taal niet spreek en als ik ga moet ik toch iets doen.’
‘Iets doen?’ vraagt de interviewer, ‘maar je gaat er toch een film maken, en dat je de taal niet spreekt, dat begrijpen ze toch wel?’
‘Maar jij begrijpt het niet, beste man’, gaat er door me heen.
Mijn oudste zoon is naast me komen zitten en we kijken samen.
Wat verwoordt hij dit precies zoals het is en ik knik begrijpend. Mijn zoon beaamt het: ‘Er zijn er veel die er zo in zitten hoor’, zegt hij en ik besef dat er een wereld van verschil zit tussen de tweede generatie waar ik toe behoor, en de derde generatie waar mijn kinderen toe behoren. Zij staan met beide benen stevig in de westerse maatschappij. En anders dan mijn generatie, die nog de pijn en emotie van de eerste generatie met zich mee draagt, verstaan zij de kunst om balans te houden tussen een nuchtere beschouwing en de verbondenheid met hun afkomst. Is dat mooi of niet?
Het is laat geworden en die luie zomerzondag die begon in een rieten tuinstoel is nu echt voorbij. Ik ga naar mijn mandje……morgen weer een dag..